Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Tijdlijn ontwikkeling Hoornse scholen

Inleiding, 1572 - 1800

Onbekende scholierAl omstreeks de verlening van stadsrechten aan Hoorn in 1357 moet er een school in de toen nog vrij kleine plaats zijn geweest. In een oorkonde uit 1359 is namelijk sprake van 'die scole te Hoerne' Dit was ongetwijfeld een gewone school, waar de kinderen lezen en schrijven konden leren.

Het is niet bekend waar deze eerste Grote School gesitueerd was. Van Vessem veronderstelt dat zij in de Kerksteeg moet hebben gestaan op grond van een akte uit 1451 waarin de voogden van het Sint-Jansgasthuis een erf 'after die scole' verkopen dat aan de oostzijde aan het Gasthuis grensde.

 

Het stadsbestuur vaardigde een keur uit, waarbij jongens tot en met vijftien jaar verplicht werden naar de officiele 'Grote School' als stadsschool te gaan. Deze school bevond zich in het Ceciliaklooster (gelegen aan de Nieuwsteeg). kaart met CeciliakloosterDe verplichting hoeven we niet op te vatten als een soort leerplicht. Zij gold kennelijk alleen voor die ouders die hun zonen naar 'een' school wilden sturen.

Over het lesrooster is het volgende bekend: de school begon in de Middeleeuwen om 6 uur 's morgens. Maar om 8 uur volgde al een uur rust. Gewerkt werd weer van 9 tot 10. De middagpauze viel volgens onze begrippen ook wat vroeg: tussen 10 en 12. 's Middags werd gewoonlijk eveneens drie uur les gegeven, weer met uur tussenruimte. De zondag was niet vrij. Wel was het onderwijs aan de dag aangepast en vielen er uren uit in verband met de diensten in de kerk, waaraan de jongens -als koorknapen- hun medewerking moesten verlenen. Men had één of twee vrije middagen en hoogstens twee maal per jaar 14 dagen vakantie. De leerstof bevatte o.a.: grammatica(d.w.z. Latijn), dialecta (d.w.z. dat onderdeel van de wijsbegeerte, dat wij met logica aanduiden), en rhetorica (d.w.z. het zich goed -in het Latijn- kunnen uitdrukken).

Bronnen: Het Statenlogement, 147 / Oud Westfriesland 1976-51

Periode 1572 - 1800

1572

Na de Hervorming ontstond er ook in het onderwijs, dat voor die tijd voornamelijk een pastorale zorg was geweest, een nieuwe situatie. De overheden gingen zich er mee bemoeien en ook het leerplan kreeg een wereldser karakter. Bovendien was het stadsbestuur van Hoorn heel wat ruimer in geschikte schoolruimte gekomen doordat de kloosters leegkwamen.

Bron: Het Statenlogement, 147
1574

Kaarttekening met AgnietenkloosterNa de aansluiting van Hoorn bij de Opstand, kwam voor de Grote School een nieuw gebouw beschikbaar: de kerk van het Sint Agnietenklooster gelegen op het terrein van de tegenwoordige Openbare Bibliotheek.

Bron: Oud Westfriesland 1976-56
1575

Naast de Grote School werd een Latijnse school opgericht, waar iedere burger zijn kinderen 'tegen een cleijnen penninck'naar toe kon sturen om de Latijnse taal te leren

1585
Latijnse poortje
Poortje Latijnse School, Kruisstraat 28
Foto van glasplaat, 1850 / 1930

Grote School en Latijnse school ondergebracht in het voormalige Ceciliahuis aan de Kruisstraat. Het blijkt dat er ook andere scholen in het complex waren ondergebracht. Er is sprake van zowel de Franse als de Duitse school.

De Franse school was bedoeld voor kinderen die meer een opleiding als ondergrond voor een handelsloopbaan zochten, terwijl de Duitse of Nederlandse school opleidde tot predikant.

Bron: Het Statenlogement, 147
1760

Uitgebreid lager onderwijs kon worden genoten op de 'Fransche Jonge-heerenschool' en 'Fransche Jongejufvrouwenschool' toen kennis van het frans vereiste was om in beschaafde kring te kunnen verkeren. Behalve de moderne talen, dus ook engels en 'hoogduitsch', werden er godsdienst, geschiedenis, aardrijkskunde, wat wiskunde en goede manieren geleerd. Aan de meisjesschool, streng gescheiden van de jongensafdeling, werd veel gehandwerkt, geborduurd en gezongen. De jongeherenschool telde 41 leerlingen in twee lokalen. Het schoolgeld bedroeg dertig tot vijfendertig gulden per jaar. De jongedamesschool had 30 leerlingen. Verder was er school voor jongere meisjes van 'betere'stand, 30 leerlingen, veertien gulden per jaar. Vreemde talen werden daar niet gegeven.

1771

Oprichting stadsarmenschool als onderdeel van de Behangselfabriek van de 'Vaderlandse Maatschappij van Reederij en Koophandel'. Het initiatief kwam van de doopsgezinde predikant en koopman Cornelis Ris. Doelstelling was het geven van werk en scholing aan armen op economische basis, of om dominee Ris te citeren; "om ledig gaande menschen aan werk en brood te helpen; om arme kinderen van de straat te houden; van 6 á 7 jaaren, al werkende vast te onderwijzen; in tugt en goede zeden op te leiden; de oude vaderlandsche naarstigheid van kinds af aan te leren en als hebbelijk te maken; de bedelarij te ene maal onnoodzakelijk te maken; de armenkassen te verlichten; en dergelijke.

Bronnen: Open Monumentedag / Benauwde verdraagzamheid, Hachelijk fantsoen, 318