Actie 2017   Een eeuw lang actief voor Hoorns erfgoed

Driehonderdvijftig jaar geleden stierf Theodorus Velius (1/2)

Eerder verschenen in West-Frieslands Oud & Nieuw, 47e bundel, pagina 8-11.
Uitgave: Historisch Genootschap "Oud West-Friesland", 1980.
Auteur: H. A. van Vessem.

Theodorus Velius: de geschiedschrijver van Hoorn. Wie weet het niet? Maar deze merkwaardige zeventiende-eeuwer had nog vele andere kanten. Hij was allereerst een knap en toegewijd arts met - toen heel belangrijk - een grote kennis van geneeskrachtige kruiden. Hij speelde als raadslid en weesmeester in het openbare leven van Hoorn een niet onbelangrijke rol. Hij schreef, groot talenkenner en gegrepen door het humanistische ideaal van zijn tijd, Latijnse en Griekse gedichten, die hem tot ver buiten zijn vaderstad bekendheid gaven. Tenslotte: hij tekende een vogelvluchtkaart van Hoorn op een manier die een vakman hem niet zou verbeteren.
Theodorus Velius Een wonder van geleerdheid dus, artistiek begaafd en met een veelzijdige belangstelling. Maar ook een beminnelijk mens. Bekijk zijn portret, lees zijn geschriften. Hij komt eruit te voorschijn als een man: levenslustig en moedig, wijs en verdraagzaam, bepaald ook als iemand met gevoel voor humor. Velius (die drie maal getrouwd was en vijf kinderen had) moet vele vrienden hebben bezeten. We kennen er slechts enkelen uit de humanistische kring, waarin hij zich bewoog. De dichter Joost van den Vondel was één van hen.
De plaats die Velius in de Nederlandse cultuurgeschiedenis inneemt dankt hij intussen vooral aan zijn Kroniek van Hoorn. Zeker behoort hij tot de grote geschiedschrijvers van de 17e eeuw. Op grond van zijn methode van onderzoek en kritische zin kunnen we hem op één lijn stellen met mannen als Bor, Van Meteren en Reyd. Zijn beeldend vermogen nadert dat van De Groot en Hooft. Krachtens zijn onderwerp behoort hij echter thuis in de rij van Orlers (Leiden), Schrevelius (Haarlem), Revius (Deventer) en Brandt (Enkhuizen). Hij schreef immers geen Nederlandse historiën, maar stadsgeschiedenis; al beperkte hij zich niet steeds tot Hoorn. Waar het voor de samenhang noodzakelijk was, betrok hij heel West-Friesland (en dat was voor hem Noord-Holland boven het IJ!) in zijn verhaal. Wel was hij gewoon ook de voornaamste gebeurtenissen uit de algemene Nederlandse geschiedenis te memoreren.

Het ging hem verder niet alleen (zoals de grote geschiedschrijvers) om de beschrijving van het jongste verleden; hoezeer ook de gebeurtenissen van zijn eigen - wel zeer bewogen - tijd de voornaamste inspiratiebron voor z'n werk zullen hebben gevormd. Hij gaat terug tot de oorsprong van zijn stad. Wanneer en hoe is Hoorn ontstaan: dat vraagt hij zich allereerst af. En verder interesseren hem alle lotgevallen van Hoorn, zijn gebouwen, instellingen en burgers; van het prille begin tot het moment van bloei, grootheid en glorie dat hij zelf beleefde.
De ontstaansgeschiedenis van de kroniek is bekend. Toevallig - misschien wel bij een van zijn patiënten - kreeg Velius een manuscript in handen over de geschiedenis van Hoorn. Hij ging het overschrijven en voorzag - aan de hand van andere geschriften - de tekst van correcties en aanvullingen. Niet met de bedoeling het geheel te laten drukken, maar als 'memorijboexken' voor zichzelf en zijn huisgenoten. Maar boekdrukker Willem Andriesz. op 't Noord kreeg er de lucht van en vroeg Velius de verbeterde tekst van het oude Hoornse kroniekje te mogen uitgeven. Deze, overtuigd als hij was van het belang van de lokale geschiedenis, stemde toe. Dat was in 1604.
Het oude kroniekje ging niet verder dan het jaar 1536: de eerste druk van Velius' kroniek eindigde op het jaar 1600. De auteur vertelt ons niet waaruit hij voor de laatste 64 jaar zijn kennis haalde. Wel noemt hij in het voorbericht tot de tweede (vermeerderde) druk uit 1617 zijn bronnen. Het zijn 1. gegevens hem verschaft 'van eenige liefhebbende burgers' 2. de 'oude papieren ende registeren van onse stadt' en 3. 'Meteren en andere historieschrijvers'. Op zijn tweede bron (de archivalia) legt hij sterk de nadruk. Over eigen waarnemingen en ervaringen, die hij ongetwijfeld ook zal hebben verwerkt, spreekt hij niet. In hoeverre hij deze bronnen al voor de eerste druk gebruikte valt moeilijk na te gaan. Waarschijnlijk niet op grote schaal!
Door de verwerking van tal van nieuwe gegevens ontstond in 1617 eigenlijk een geheel nieuw werk. De kroniek was grotendeels herschreven! Bovendien werden er twee nieuwe geschriften van zijn hand aan toegevoegd: een beschrijving van de stad en haar 'grote mannen' en het Latijnse gedicht 'Westfrisia'.
De derde druk die - door de dood van Velius - niet, zoals het plan was in 1630 maar eerst in 1648 verscheen, verschilde weinig van de tweede, maar had opnieuw een vervolg tot 1630 en telde veel meer illustraties, waaronder een stadsplattegrond, door Velius zelf getekend. De vierde druk (1740) was wat de tekst van de kroniek betreft aan de derde gelijk; door een groot aantal aantekeningen van Sebastiaan Centen had zij haast een dubbele omvang. Het aantal illustraties was verder uitgebreid, terwijl een tweede stadsplattegrond (uit 1596) was toegevoegd. Op de tijdgenoten maakte Velius' kroniek grote indruk. De eerste druk wordt al voorafgegaan door prijzende gedichten waarvan sommige nadrukkelijk worden aangekondigd als 'Tot lof van den Autoor'. Gestaag heeft het aantal zich uitgebreid tot 25 bij de derde druk.